Logo de Rooyse Schans  
DE MIDDELEEUWEN KOMEN WEER TOT LEVEN  
line decor
  
line decor
 
 
 
 

 
 
HISTORIE


De Venrayse volmolens

(fragment uit manuscript Het Venrayse gildewezen, door Koos Swinkels)

Een opvallend aspect van de Venrayse wolnijverheid vormen de volmolens. Er zijn er twee geweest, die door het water van de Loobeek werden aangedreven: de vroegste bij de Broekweg, de jongere in de Spurkt tussen de Overloonseweg en de A73. Er zijn geen rechtstreekse gegevens over bewaard gebleven in de archieven van de schepenbank of de Grote Kerk. Bijgevolg ligt het voor de hand, dat het hier om particuliere molens gaat, waarschijnlijk in het bezit van het gilde. Voor een privéondernemer zou de investering al snel te groot worden. Er is weliswaar sprake van een molen op de Loobeek, waarvan de Heer van Venray de rechten had, maar dat is de watermolen van de Smakt. De molens zullen in de zomer niet veel gedraaid hebben, als er te weinig water vanuit de Peel werd afgevoerd.

Van geen van beide molens is een stichtingsjaar bekend, al mag worden aangenomen dat die van de Broekweg de oudste is. In 1628 bestond de molen in elk geval nog, want toen werd hij zes keer genoemd bij het inmeten van naburige akkers en hooilanden. De Broekweg leidt regelrecht vanuit het dorp naar de plek, waar deze oudste molen stond. Van een restant van een molenvijver is geen sprake, en of hij er ooit geweest is, is allerminst zeker. De beek sneed zich ter plaatse vóór de kanalisatie iets stroomopwaarts door een hoogte heen, en gecombineerd met enkele haakse bochten leverde dat kennelijk voldoende stuwing op.

De naam van een paardenstal herinnert aan vroeger tijden.

Illustratie: In het gebied waar de molen stond, herinnert de naam van een paardenstal aan vroeger tijden. In de volksmond bleef de naam volmolen levend.

De tweede stond stroomafwaarts van waar de beek de Overloonseweg kruist. Ter hoogte van het Norfolk-monument, dat herinnert aan de Tweede Wereldoorlog, staat aan de overzijde van de weg het voormalige café Swinkels. In de weilanden erachter ligt een moerasbos. Dat is ooit de bergvijver geweest van de volmolen. Ter onderscheiding met de molen aan de Broekweg heette hij de Níjje Meule; kennelijk wilde men geen verwarring met de oude. De molens moeten dus een tijdlang tegelijk bestaan hebben.

Meetboeck des kerspels Venray, anno 1628

Illustratie: Gemeentearchief Venray, oud archief tot 1796, inv. nr. 135, Meetboeck des kerspels Venray, anno 1628
(klik op de illustratie voor een grotere afbeelding)

Dit register is een lijst van de eigendommen aan erven, akkers en hooilanden binnen het kerspel Venray, met een opgave van belastingen en pachten die daarop drukken. In de lijst is het bewijs te lezen, dat de twee volmolens tegelijk bestaan hebben: zij worden beide genoemd als een gebied, waar men hooiland bezat.
Op blz, 179 komt de vrouw van Peter Deeckers aan de beurt, na Gerart d’Brabander. Zij woonde aan de noordkant van het dorp, aan naar wat nu de Overloonseweg heet.

De oorspronkelijke tekst is als volgt:
----------------------------------------------------------------------------------
Peter Deeckers Jennicken uxor
Haer hofstadt                             5 ¼  mergen 2 ½ roij
Noch een weij tegen d’deur over
geheijten Mr; Davits weij                 5 verdell 11 roij
Noch op de Kerckdijck           1 mergen mijn 10 roij
Noch int nije erff                    3 ½ mergen 7 ½ roij
Noch aende Vollmuellen          2 mergen 1 ½ verdel
Noch aende Nijemuellen          2 ½ mergen 1 ½ verdel
Noch opt Hoechbroeck           2 mergen 2 ½ verd:      
In toto                            15 7/8 mergen 11 roijen

         Last 11 vat roggen S; Jacobs altaer
een malder, d’ kerck 4 ½ vat een sester heere pachts
hijr van gheeft Leomiardt 1 vaet een seester      
----------------------------------------------------------------------------------

Uit oud kaartmateriaal blijkt, dat er een haakse aftakking van de Loobeek was gegraven naar de molenvijver in de Spurkt. Die voorziening bestond nog, toen de beek in de eerste helft van de twintigste eeuw genormaliseerd werd. De oudste vermelding is uit 1628. Behalve de vermelding van Jennicken, de vrouw van Peter Deeckers, blijkt, dat Theobaldus Janssen uit Overloon grond had liggen bij de Nieuw Molense passen en dat Alert Tunnis de brug moest onderhouden bij de nieuwe molen, en ook de weg door de Vollmeulense pas. In 1729  komt de molen nog voor in een verkoopakte van een hooipas. Beide molens werden ook nog vermeld als plaatsaanduiding bij de verkoop van weilanden in de negentiende eeuw, maar toen waren ze al verdwenen. Op de Tranchotkaart van vlak na de Franse tijd is niets meer te zien van een molen of een bergvijver.

Een volmolen is een machine op waterkracht, waarmee wol vervilt wordt door met houten hamers in een bak op de natte grondstof te slaan. Het grove wollen laken was in vroegere eeuwen de voornaamste grondstof voor daagse kleding. De eigenschappen van het laken werden bepaald door de veredeling. Een onderdeel daarvan was het vollen. Dit is een bewerking, waarbij wollen weefsels in zwak alkalische oplossingen gedrenkt worden en gekneed, waardoor zij vervilten. Hierbij worden de vezels tot een dichte en egale massa gestampt. De stof wordt daardoor dichter, meer slijtvast en beter isolerend. De houten hamers vallen in de volkom, waarin het laken ligt met de hulpstoffen. Als hulpmiddelen worden vette klei (hier blauwe leem of vollersleem), urine, zeep en water gebruikt. Door het gebruik van urine was de stank rond een volmolen vaak niet te harden. Een dergelijke molen werd daarom in de regel ver buiten het dorp gebouwd. Dat geldt overigens ook voor de Geijsterse watermolen, waarin in 1514 ook gevold werd.

De molens zijn in onbruik geraakt bij de opkomst van de industrialisatie van de viltproductie. Omdat ze te ver weg lagen van het dorp, was het geen haalbare kaart om ze om te bouwen tot graanmolen, zoals dat op andere plaatsen wel is gebeurd. Behalve dat ze onrendabel waren geworden, is het denkbaar dat het onderhoud aan de eeuwenoude machines te kostbaar werd. Er zijn geen nadere gegevens bekend. In het begin van de twintigste eeuw was de veldnaam Volmeule op beide plekken nog bekend, en kon de plek van de nieuwe molen nog worden aangewezen vanwege het voorkomen van planten, die van kalk houden, zoals met name de maretak. Er zat dus nog wat afbraakpuin op de plek langs de beekoever. Bij de normalisatie van de beek zijn van de nieuwe molen puinresten en een aantal zeer harde balken en palen gevonden in een kolk, waar het water werd omgeleid. Het is niet uit te sluiten, dat het huis tegenover het oorlogsmonument langs de Overloonseweg bij de Loobeek op de plek staat van een vroegere molenaarswoning.

Momenteel zet de Stichting De Rooyse Schans zich in om vlakbij de plek van de nieuwe volmolen een opvolger te realiseren, in combinatie met een reconstructie van de Leunse schans.

De Rooyse Schans

“…in het jaar 1586 rukken Spaanse legers op langs de Maas richting de Hollandse stad Grave. Tijdens hun tocht passeert de plunderende meute het Noord-Limburgse peelgebied. In de dorpen in het Maasdal wordt de noodklok geluid. De boeren van het gehucht Volen verzamelen daarop zo snel mogelijk hun vee en andere kostbaarheden en bereiden zich voor diep het woeste peelmoeras in te trekken; naar de schans waar zij wellicht veilig zijn…”

Tijdens de middeleeuwen en de onrustige eeuwen erna maakten vele legers gebruik van het maasdal als natuurlijk corridor tussen de Maas in het oosten en het onbegaanbare veenmoeras in het westen; de Peel. Deze legers konden vaak alleen in hun onderhoud voorzien door de dorpen en steden die werden gepasseerd te plunderen of te dwingen tot een het betalen van een brandschatting. Reizende legers bestonden dan ook vaak niet uit keurig in het gelid marcherende militairen, maar uit talloze zwermende bendes die de omgeving afstroopten op zoek naar voedsel en kostbaarheden. Ook de bevolking van de plaatsen Volen, Veulen, Heide en Leunen wilde zich tegen deze rovers beschermen en bouwde in woeste Peelgebied een boerenschans; een eenvoudig vestingwerk waarbinnen men zich terugtrok tijdens onzekere tijden.

Deze boerenschans lag op een natuurlijke verhoging omgeven door uitgestrekte veengebieden en bestond uit een hoefijzervormige gracht uitgegraven in het peelmoeras. Het zand dat uit de gracht was geschept was aan weerszijde van de gracht opgeworpen, waardoor een dubbele verdedigingswal ontstond. Deze verdedigingswal was plaatselijk verstevigd met takkenbossen, doornige struiken en palissaden; in de grond geslagen palen. Aan de binnenkant omsloten de wallen een terrein van ongeveer 1 hectare, waarop wat schuilhutten stonden en kralen voor het vee. Aan de openkant van de hoefijzervormige wal was de ingang van de schans, welke afgesloten kon worden door een ophaalbrug.

Poging tot reconstructie van de schans in LeunenOorspronkelijk lag de schans tussen Leunen en Ysselsteyn in het brongebied van de Oostrumse Beek. De laatste ooggetuigenverslagen van de schans dateren van rond 1920, daarna werd het gebied ontgonnen en verdwenen de contouren van de schans uit het landschap. Momenteel is er niets meer van de schans te zien.


.

 
 
 

 

NIEUWS
Lees hier het laatste nieuws.

PRESENTATIE
Bekijk hier een dia-presentatie van onze plannen.

FILM
Bekijk hier onze promotie-film.

 

PROJECTPLANNEN
Lees hier het projectplan boerenschans en volmolen

 

met hier de bijlagen